Marianne

Marianne

“Die nacht dat we met de diaconie van onze kerk een rondleiding kregen langs de onderkant van de samenleving, was voor mij een eyeopener. We kwamen bij de politie en bij het Leger des Heils maar ook bij de hoertjes op de baan, dat was echt de bodem van de put. Die nacht kwamen we ook bij De Open Hof, waar de pastor een interview had georganiseerd met iemand die dak- en thuisloos is. Normaal zijn ze nooit ’s nachts open natuurlijk, dit was voor ons geregeld. Ik weet niet waarom het me zo raakte maar ik dacht daarna: dit is wel wat voor mij en ik meldde me aan als vrijwilliger.

Wat ben je aan het doen, ben je niet goed snik, zei mijn man. ‘Straks krijg je nog een mes in je rug’. Ik vond het begin best moeilijk. Soms komt de wereld van de bezoekers zo dichtbij. Die verhalen… We hebben twee zoons en vooral als de bezoekers heel jong zijn dan gaat het me door merg en been. In het begin kwam ik vol verhalen thuis. ‘s Nachts in bed als het slecht weer was en ik niet kon slapen, dan dacht ik: waar zou die en die nu zijn, die slaapt buiten. Door de jaren heen heb ik mezelf geleerd om de deur achter me dicht te doen als ik klaar ben met mijn werk hier.

Je krijgt hier steeds meer te maken met mensen uit andere landen. Afgewezen asielzoekers en andere buitenlanders die het niet redden in ons land. Zo is er een jongen uit Afrika die werkt bij de treinen. Hij spreekt Frans en ik ook, en hij vindt het heel leuk dat hij in zijn eigen taal kan praten. Er zijn ook bezoekers waar ik helemaal geen klik mee heb. Dat hoeft ook niet, dat is in de gewone wereld ook zo. Ik maak hier hele mooie dingen mee, zoals met de heroïnehoertjes. Die vrouwen hebben zo’n muur om zich heen maar als je ze wat leert kennen, gaan ze langzaam open.

Een grapje of even een gesprekje met iemand, dat geeft me het gevoel dat dit werk ertoe doet. Maar er gebeuren ook nare dingen. Je maakt mee dat een bezoeker agressief wordt en soms vallen er klappen. Je moet leren dat het niet tegen jou als persoon is bedoeld. Het is best moeilijk om je er overheen te zetten. Ik heb geleerd dat ik echt boos moet worden als ik woede voel. Onze bezoekers kunnen soms zo ontevreden zijn. Dan probeer je wat extra’s te bieden, zoals een beetje shag, maar als je de volgende keer niks hebt dan kunnen ze naar reageren. Dat is hun overlevingsmechanisme, maar desondanks: je hoeft niet alles te accepteren . Als vrijwilligersploeg proberen we goed op een lijn te zitten, dan je weet wat je aan elkaar hebt. Als er iets gebeurt, dan springen collega’s er tussen.

Ik ben ook vrijwilliger bij terminale patiënten die thuis willen sterven. Heel ander werk, maar er zijn wel raakvlakken. Er zijn, daar gaat het om. Bij terminale patiënten loop ik het laatste stukje van de levensweg mee. De thuiszorg doet de verzorging, ik ben er voor de andere dingen. Praten, een boodschap doen, voorlezen, het kan van alles zijn. Je bent er ook voor de partner. Ik kom nu bij een oudere mevrouw met kanker. Als ik er ben, kan haar man even naar zijn tuin, naar zijn kippetjes. Je maakt het mogelijk dat mensen thuis kunnen sterven, dat is voor veel mensen zo belangrijk.

Marianne’s man heeft er allang vrede mee dat zijn vrouw vrijwilligerswerk doet bij De Open Hof. Vrienden en kennissen moet ze nog wel eens wat uitleggen. Hoe doet ze dat?

“Ik heb privé in korte tijd drie vreselijke dingen meegemaakt en ik dacht ‘ik verzuip als ik niet uitkijk’. Zo kan het dus gaan, zeg ik dan. Dan is er vaak wel herkenning.”